
In het kort: hoe begin je met tellen tot 10?
Begin met korte situaties uit het dagelijks leven in plaats van met werkbladen. Je kind moet eerst echte voorwerpen aanraken, verschuiven en tellen.
- Tel kleine groepjes: 2 blokken, 3 lepels, 4 speelgoedautootjes.
- Verschuif elk voorwerp maar één keer en noem er één telwoord bij.
- Vraag “Hoeveel zijn het er samen?” en niet alleen “Kun je tot tien tellen?”
- Vergelijk groepjes: waar zijn er meer, minder of evenveel?
- Koppel pas later een hoeveelheid aan het geschreven cijfer.
- Ga stap voor stap van groepjes tot 3, naar 5 en uiteindelijk naar 10.
De Education Endowment Foundation raadt aan om rekenen te verweven met dagelijkse activiteiten en voorwerpen te gebruiken die kinderen kunnen verschuiven. Dat past goed bij leren zonder druk thuis.
Wat is het verschil tussen getallen opzeggen en echt tellen?
“Een, twee, drie…” opzeggen laat zien dat een kind de volgorde van de telwoorden kent, maar dat betekent nog niet dat het hoeveelheden begrijpt. Echt tellen vraagt om een paar vaardigheden die samenwerken.
Ten eerste koppelt je kind één telwoord aan één voorwerp. Bij het tellen van vijf blokken krijgt elk blok precies één telwoord: “een”, “twee”, “drie”, “vier” of “vijf”.
Ten tweede houdt je kind een vaste volgorde van telwoorden aan. “Een, twee, drie, vier” mag niet elke keer in een andere reeks veranderen.
Ten derde begint je kind te begrijpen dat het laatste getal dat je noemt zegt hoeveel voorwerpen er in de hele groep zitten. Vraag je na het tellen van 4 knuffels “Hoeveel zijn het er?”, dan kan je kind “vier” zeggen zonder opnieuw te beginnen.
Bij heel kleine groepjes herkennen kinderen een hoeveelheid soms ook in één oogopslag, zonder elk voorwerp apart te tellen. Laat 2 of 3 blokken zien en vraag: “Hoeveel zie je?”
De volgende stap is vergelijken: meer, minder, evenveel. Je kind telt niet alleen twee bordjes en drie bekers, maar ziet ook welk groepje er meer heeft.
Een cijfer is alleen het geschreven teken voor een getal. Het is handig om eerst de betekenis van “vijf” op te bouwen en daarna het teken 5 te laten zien.
Hoe oefen je tellen tot 3?
Groepjes tot 3 zijn een goed begin, omdat een kind ze snel overziet en makkelijk met de hand kan controleren. Je hebt geen speciaal materiaal nodig.
Zeg bij het tafeldekken: “Leg twee vorken neer.” Zet tijdens het spelen drie auto’s op een rij en vraag: “Hoeveel zijn het er?” Tel tijdens een wandeling drie stenen of drie traptreden.
Je kunt ook 1, 2 en 3 blokken in aparte groepjes neerleggen. Vraag niet meteen naar het cijfer. Laat je kind eerst het groepje aanwijzen met de meeste en met de minste blokken.
Houdt een kind van 3 of 4 van opdrachten met plaatjes, dan kun je later een eenvoudige tellen tot 5 voor kinderen van 4 toevoegen. Ook stip-tot-stip met een vis voor kinderen van 3 kan een brug zijn tussen spelen en papier, maar gebruik het als extraatje en niet als startpunt.

Hoe ga je van tellen tot 3 naar tellen tot 5?
Stap over op 5 als je kind een klein groepje kan tellen zonder vaak voorwerpen over te slaan of dubbel te tellen. Het doel is niet om op commando foutloos “tot vijf” op te zeggen.
Dagelijkse activiteiten kunnen er zo uitzien:
- doe 4 blokken in een doos en tel ze als je ze eruit haalt;
- leg 5 druiven op een bordje en vraag je kind je er 2 te geven;
- zet 3 knuffels en 5 auto’s neer en vraag welk groepje er meer heeft;
- maak twee groepjes van 4 knopen en kijk of ze evenveel hebben.
In deze fase kan ook tellen tot 10 voor kinderen van 5 goed werken, als je alleen opdrachten kiest die passen bij het huidige niveau van je kind. Om het vergelijken van groepjes te oefenen, gebruik je meer, minder en evenveel.
Hoe help je je kind op weg naar tellen tot 10?
Gaat tellen tot 5 redelijk zeker, maak de groepjes dan geleidelijk groter: 6, 7, 8, 9 en 10. Blijf voorwerpen gebruiken die je kind kan aanraken of verschuiven.
Tel 6 traptreden, 7 krijtjes, 8 blokken of 10 wasknijpers. Je kan een groepje ook verdelen: “Hier zijn 8 blokken. Geef mij er 3. Hoeveel zijn er nog over?” Is je kind nog niet toe aan aftrekken, tel de overgebleven blokken dan gewoon opnieuw.
In het spel Visschool telt je kind beestjes in groepjes en kiest het de school met het gevraagde aantal. Zo combineer je tellen met groepjes vergelijken, zonder dat het een schoolse overhoring wordt.
Kinderen die graag tekenen, vinden kleurplaten met cijfers en tellen misschien leuk. Telt een kind van 6 echte voorwerpen zeker tot 10, dan kan de volgende stap optellen tot 10 met voorwerpen zijn.

Wanneer is een kind klaar voor de volgende fase?
Kijk niet alleen naar de leeftijd. Let op hoe je kind omgaat met echte groepjes voorwerpen.
Fase | Activiteit | Tekenen dat je kind verder kan |
|---|---|---|
Tot 3 | Tel 1–3 blokken, knuffels of stukjes fruit | Elk voorwerp krijgt één telwoord en je kind weet meestal hoeveel het er samen zijn |
Tot 5 | Geef 4 krijtjes, vergelijk groepjes van 3 en 5 | Je kind telt zonder vaak iets over te slaan, begrijpt meer/minder en kan op verzoek een klein groepje maken |
Tot 10 | Tel 6–10 voorwerpen en leg een gevraagd aantal neer | Je kind houdt de volgorde van de telwoorden vast en kan na het tellen zeggen hoeveel voorwerpen er zijn |
Cijfers | Leg een cijferkaartje bij een getelde groep | Het teken wordt gekoppeld aan een echte hoeveelheid en niet alleen aan hoe het eruitziet |
Het CDC noemt tellen tot 10 als een van de mijlpalen rond 5 jaar. Dat betekent niet dat elk jonger of ouder kind precies dezelfde weg op precies hetzelfde moment aflegt. Voor een breder beeld van de ontwikkeling kun je kijken bij wat een kind van 4 jaar meestal kan en wat een kind van 5 jaar meestal kan.
Wanneer introduceer je geschreven cijfers?
Introduceer cijfers als je kind de hoeveelheid in kleine groepjes al begrijpt. Het teken “4” moet betekenis hebben: vier blokken, vier vingers, vier stappen.
Leg 5 knopen naast een kaartje met het cijfer 5. Verander daarna het aantal knopen en vraag je kind het kaartje te kiezen dat erbij past. Draai de activiteit om door een cijfer te laten zien en te vragen om zoveel voorwerpen neer te leggen.
Je hoeft niet meteen te eisen dat je kind de cijfers goed met potlood schrijft. Een cijfer herkennen en aan een groepje koppelen is een eerdere en heel nuttige stap.

Welke fouten kun je beter vermijden bij het leren tellen?
Een veelgemaakte fout is van spelen een stroom toetsvragen maken. Je kind gaat dan misschien gokken of de activiteit ontwijken, terwijl het tellen zelf best binnen bereik ligt.
- Vraag niet steeds “Hoeveel is dat?” alsof het een toets is.
- Begin niet met cijferkaartjes en geschreven tekens als je kind voorwerpen nog niet zeker kan tellen.
- Onderbreek niet halverwege bij elke telfout. Vraag meestal liever om rustig opnieuw vanaf het begin te tellen.
- Stapel geen tientallen werkbladen op. Eén activiteit met lepels aan tafel kan je meer vertellen over het getalbegrip van je kind.
- Zie tot 10 kunnen opzeggen niet als bewijs dat je kind 10 voorwerpen kan tellen.
Wanneer vraag je om extra ondersteuning?
Af en toe een telfout maken hoort bij het leren. Praat met de leerkracht of een andere passende onderwijsprofessional als de moeilijkheden lang aanhouden en zelfs bij heel kleine groepjes voorkomen, ondanks rustig en regelmatig oefenen met echte voorwerpen.
Het kan ook zinvol zijn om advies te vragen als moeite met tellen samengaat met andere zorgen over de ontwikkeling. Een gesprek is geen diagnose; het is een manier om uit te zoeken welke ondersteuning kan helpen.