Ga naar inhoud
Labugen

Aftrekken tot 20 zonder lenen: werkblad 1

De helft van de sommen begint met een getal tussen 11 en 19, de andere helft blijft binnen 10: bij aftrekken tot 20 zonder lenen hoef je nooit een tiental in te wisselen. Dit is voor kinderen van 6–7 jaar een rustige tussenstap naar aftrekken met tientaloverschrijding.

    2 A4-pagina’s · voor thuis en in de klas

    Alle werkbladen: Werkbladen

    Labugen

    Aftrekken tot 20 zonder tientaloverschrijding

    set nr. 7302

    Naam: Datum:
    1. 1.18 - 13 =
    2. 2.12 - 10 =
    3. 3.5 - 2 =
    4. 4.8 - 6 =
    5. 5.14 - 12 =
    6. 6.19 - 9 =
    7. 7.19 - 3 =
    8. 8.3 - 1 =
    9. 9.5 - 3 =
    10. 10.18 - 10 =
    11. 11.17 - 6 =
    12. 12.19 - 18 =
    13. 13.17 - 11 =
    14. 14.4 - 1 =
    15. 15.17 - 12 =
    16. 16.6 - 1 =
    17. 17.17 - 7 =
    18. 18.18 - 5 =
    19. 19.2 - 1 =
    20. 20.8 - 5 =
    21. 21.19 - 1 =
    22. 22.18 - 12 =
    23. 23.7 - 5 =
    24. 24.6 - 3 =
    25. 25.17 - 4 =
    26. 26.5 - 1 =
    27. 27.4 - 3 =
    28. 28.8 - 4 =
    29. 29.9 - 4 =
    30. 30.7 - 4 =
    Labugen · werkblad voor thuis en op school

    Zo gebruik je dit werkblad

    • Bekijk som 25, 17 − 4. Bedek het tiental met een vinger, reken 7 − 4 = 3 uit en haal je vinger weg: 13.
    • Bij sommen waarin beide getallen tussen 11 en 19 liggen, zoals 18 − 13 of 17 − 11, trek je eerst de eenheden en daarna de tientallen van elkaar af.
    • Let op de sommen waarbij je alle eenheden weghaalt, 19 − 9 en 17 − 7: de uitkomst is precies 10.
    • Kijk de sommen na met het antwoordenblad.

    Wat je kind met dit werkblad leert

    Bij elke som is het eenhedencijfer van het eerste getal minstens zo groot als het eenhedencijfer van het getal dat je aftrekt. Je hoeft dus nooit een tiental in te wisselen. Vijftien sommen beginnen met een getal tussen 11 en 19 (19 − 3, 18 − 5, 14 − 12) en vijftien blijven binnen 10 (5 − 2, 8 − 6, 7 − 4). De uitkomsten lopen van 1 tot 18. Bij aftrekken van een getal tussen 11 en 19 veranderen vaak alleen de eenheden: dat is het idee achter cijferend aftrekken.

    Rekenen met de eenheden

    Getallen van 11 tot en met 19 bestaan uit één tiental en een aantal eenheden. Als er genoeg eenheden zijn, kan het tiental gewoon blijven staan: bij 18 − 5 reken je 8 − 5 = 3 uit en behoud je het tiental, dus 13. Heeft het getal dat je aftrekt ook een tiental, dan trek je dat ook af: bij 17 − 12 reken je 7 − 2 = 5 en 1 tiental − 1 tiental = 0, dus 5. Trek je precies tien af, zoals bij 18 − 10 en 12 − 10, dan blijven alleen de eenheden over.

    Vragen en antwoorden

    Vragen van ouders

    Waarom staan er kleine sommen zoals 5 − 2 op een werkblad tot 20?
    Het werkblad gebruikt het hele getallengebied tot 20. Daarom blijft de helft van de sommen binnen 10. Daarmee oefent je kind alvast de sommen die het bij de eenheden van getallen tussen 11 en 19 nodig heeft.
    Waarom vindt mijn kind 19 − 18 = 1 verwarrend?
    Grote getallen wekken de verwachting van een grote uitkomst. Laat zien dat 18 en 19 naast elkaar liggen op de getallenlijn: één stap verder tellen is dus genoeg.
    Wanneer is mijn kind klaar voor aftrekken met tientaloverschrijding?
    Als dit werkblad vlot lukt zonder op de vingers te tellen. Op het volgende werkblad staan sommen zoals 15 − 7.
    Advertentie