Ga naar inhoud
Labugen

Aftrekken tot 20 over het tiental: werkblad 1

De lastigste stap bij het aftrekken in groep 3, dertig keer oefenen: aftrekken tot 20 over het tiental. Voor kinderen van 6-8 jaar die de sommen tot 10 al kennen.

    2 A4-pagina’s · voor thuis en in de klas

    Alle werkbladen: Werkbladen

    Labugen

    Aftrekken tot 20 met tientaloverschrijding

    set nr. 7301

    Naam: Datum:
    1. 1.15 - 7 =
    2. 2.20 - 1 =
    3. 3.20 - 14 =
    4. 4.11 - 5 =
    5. 5.20 - 11 =
    6. 6.13 - 7 =
    7. 7.20 - 12 =
    8. 8.11 - 3 =
    9. 9.11 - 4 =
    10. 10.10 - 7 =
    11. 11.11 - 6 =
    12. 12.10 - 4 =
    13. 13.14 - 9 =
    14. 14.10 - 6 =
    15. 15.12 - 9 =
    16. 16.10 - 8 =
    17. 17.13 - 5 =
    18. 18.10 - 2 =
    19. 19.12 - 3 =
    20. 20.11 - 7 =
    21. 21.14 - 8 =
    22. 22.20 - 4 =
    23. 23.20 - 17 =
    24. 24.17 - 8 =
    25. 25.13 - 6 =
    26. 26.13 - 9 =
    27. 27.15 - 6 =
    28. 28.15 - 9 =
    29. 29.14 - 5 =
    30. 30.10 - 9 =
    Labugen · werkblad voor thuis en op school

    Zo gebruik je dit werkblad

    • Begin met som 1, 15 − 7. Zeg: ‘Eerst haal je er 5 af om op 10 te komen, dan nog 2: 8.’
    • Zoek daarna de zes sommen die met 10 beginnen, zoals 10 − 7 en 10 − 4. Hierbij gebruik je meteen de splitsingen van 10.
    • Maak vervolgens de zes sommen die met 20 beginnen, zoals 20 − 14 en 20 − 17: haal eerst het tiental eraf en daarna de eenheden.
    • Maak tot slot de sommen die beginnen met een getal tussen 11 en 19 en controleer alles met het antwoordenblad.

    Wat je kind met dit werkblad leert

    Bij elke som is het aantal eenheden van het eerste getal kleiner dan het getal dat je eraf haalt. De uitkomst komt daardoor onder het tiental waarmee je begon. Achttien sommen beginnen met een getal tussen 11 en 19 (15 − 7, 11 − 5, 14 − 9), zes met 10 en zes met 20 (20 − 1, 20 − 11, 20 − 4). Alle antwoorden liggen tussen 1 en 19. Met dit werkblad oefent je kind strategieën die later nodig zijn bij cijferend aftrekken met lenen.

    Aftrekken via 10

    Splits het getal dat je eraf haalt zo dat je eerst op 10 uitkomt: 13 − 5 = 13 − 3 − 2 = 8 en 14 − 9 = 14 − 4 − 5 = 5. Je kunt ook denken aan optellen: vraag bij 15 − 7 ‘7 plus hoeveel is 15?’ Omdat 7 + 8 = 15, is het antwoord 8. Kinderen kiezen vaak de manier die ze het prettigst vinden. Beide manieren zijn goed.

    Vragen en antwoorden

    Vragen van ouders

    Mijn kind schrijft 15 − 7 = 12. Hoe komt dat?
    Je kind heeft bij de eenheden het kleinste cijfer van het grootste afgetrokken (7 − 5 = 2) en het tiental laten staan. Laat zien dat 15 − 7 minder dan 10 moet zijn, omdat 7 meer is dan de 5 eenheden.
    Waarom staat 20 − 1 op een werkblad over aftrekken over het tiental?
    20 heeft geen losse eenheden. Als je er zelfs maar 1 afhaalt, kom je onder de 20 uit: het antwoord 19 heeft 1 tiental in plaats van 2.
    Wat moet mijn kind al kennen voor dit werkblad?
    De sommen tot 10 en de splitsingen van 10, zoals 10 − 6 = 4.
    Advertentie