
In het kort: hoe leer je spellen zonder stampen?
Leer je kind eerst hoe het een woord kan controleren, en pas daarna de woorden die je niet met een eenvoudige regel kunt controleren.
- Begin met de verlengingsregel: d of t aan het eind van een woord (hond – honden).
- Oefen daarna b of p aan het eind en het hakken in klankgroepen: één of twee klinkers (maan – manen), één of twee medeklinkers (bal – ballen).
- Voeg pas later -ig en -lijk toe en de woorden met ei/ij en au/ou.
- Oefen de werkwoordspelling apart: bij hij, zij en het stam + t, in de verleden tijd ’t kofschip.
- Woorden zonder handige regel schrijven jullie in een eigen foutenschriftje.
- Oefen 5–10 minuten per dag: één regel, een paar voorbeelden, een korte herhaling.
Hoe leer je je kind spellen met verlengen en woordfamilies?
Begin het liefst met de vraag: “Kun je een ander woord of een andere vorm vinden die laat zien hoe je het schrijft?” Je kind raadt dan niet naar een letter, maar zoekt naar bewijs.
Een woordfamilie is een groep woorden die in betekenis en vorm bij elkaar horen, bijvoorbeeld “hond – honden – hondje”. In zo’n rijtje hoor je meteen de d terug zodra het woord langer wordt.
Regel | Hoe controleer je het? | Voorbeeld |
|---|---|---|
d of t aan het eind | maak het woord langer: meervoud of een andere vorm | hond – honden |
b of p aan het eind | maak het woord langer en luister naar de klank | web – webben |
één klinker (open klankgroep) | hak het woord in klankgroepen: eindigt de klankgroep op een klinker, dan schrijf je die klinker één keer | maan – ma-nen |
dubbele medeklinker | hak in klankgroepen: na een korte klank schrijf je de medeklinker twee keer | bal – bal-len |
-ig en -lijk | je hoort ‘ug’ of ‘luk’, maar je schrijft -ig of -lijk | gezellig – vrolijk |
werkwoord bij hij, zij, het | schrijf stam + t, ook als de stam al op d eindigt | hij wordt |
verleden tijd | staat de laatste letter van de stam in ’t kofschip? dan -te, anders -de | fietste – woonde |
Stop na het uitleggen van een regel niet bij één woord. Schrijf er twee of drie woorden uit dezelfde familie of met dezelfde regel bij en kom er de volgende dag op terug.

In welke volgorde leer je de spellingregels?
Kies eerst regels die je kind zelf kan controleren. Ga pas daarna door naar spelling die meer op onthouden rust.
1. De verlengingsregel: d of t aan het eind
Je kind zoekt een langere vorm van hetzelfde woord: het meervoud, een vervoeging of een woord uit dezelfde familie. Voorbeelden: hond – honden, bed – bedden, rond – ronde, brood – broden.
Verlengen werkt niet bij elke letter zo. Bij woorden als huis, brief of kaas schrijf je aan het eind nooit een z of v, ook al hoor je die in huizen, brieven en kazen. Zulke woorden onthoudt je kind door ze vaak te lezen en ze in het eigen foutenschriftje te zetten.
Voor een korte herhaling kun je spellingoefeningen voor groep 4 gebruiken. In de online oefeningen van Labugen krijgt je kind meteen feedback, en elke reeks bestaat uit 10 opgaven. Er zijn drie niveaus: Start, Leerling en Ontdekker.
2. b of p aan het eind
Ook hier maakt je kind het woord langer. Goede paren zijn web – webben, krab – krabben, ik heb – wij hebben, stop – stoppen.
Speel samen ‘verlengdetective’: jij noemt een woord en je kind zoekt de langere vorm waarin je de b of p duidelijk hoort. Daarna schrijft het beide vormen naast elkaar op.
Voor herhaling is de rubriek spelling voor groep 4 handig.
3. Klankgroepen: één of twee klinkers
Hier hakt je kind het woord in klankgroepen. Eindigt een klankgroep op een lange klank, dan schrijf je die klinker maar één keer. Voorbeelden: maan – ma-nen, boom – bo-men, vuur – vu-ren, peer – pe-ren.
Kleine woordfamilies helpen hier extra. Leer ‘manen’ niet los, maar schrijf ‘maan – manen – maantje’ naast elkaar. Je kind ziet dan dat de spelling niet toevallig is: in maan en maantje sluit een medeklinker de klankgroep af, in ma-nen eindigt de klankgroep op de klinker.
4. Klankgroepen: dubbele medeklinker
Hoort je kind in de eerste klankgroep een korte klank en volgt er nog een klankgroep, dan schrijf je de medeklinker twee keer. Dat geldt na de korte klanken a, e, i, o, u. Voorbeelden: bal – ballen, pet – petten, kip – kippen, bus – bussen.
Ook deze regel kent uitzonderingen, dus breng hem niet als regel die altijd klopt. De ch en de ng verdubbel je nooit, en na een ‘stomme e’ ook niet. Goede voorbeelden zijn lachen, zingen, monniken en wandelen.
Eerst moet je kind de regel kunnen toepassen in een eenvoudig woord. Uitzonderingen schrijven jullie er pas bij als ze echt opduiken bij het lezen of schrijven.
Hoe leer je -ig, -lijk en ei/ij zonder te gokken?
Begin met woorden waarbij een vaste uitgang houvast geeft. Voor -ig en -lijk zijn handige rijtjes gezellig – gezelligheid, vrolijk – vrolijkheid, lastig – lastige.
Bij ei en ij helpt het om woorden uit dezelfde familie bij elkaar te zetten, bijvoorbeeld klein – kleiner, tijd – tijdens, blij – blijdschap. Toch kun je lang niet elk woord met een eenvoudige regel verklaren. Ei en ij klinken precies hetzelfde, net als au en ou, dus bij twijfel pak je een woordenboek erbij.
Woorden als trein schrijf je daarom in het eigen foutenschriftje van je kind, en daar kom je vaak op terug. Oefeningen vind je ook in de rubriek lastige woorden voor groep 4.
Hoe leg je de werkwoordspelling uit: d, t of dt?
Het eenvoudigste regelpaar voor de basisschool luidt: bij ik schrijf je alleen de stam, bij hij, zij en het de stam + t. Dat geldt ook als de stam al op een d eindigt, dus ik word, maar hij wordt.
Voorbeelden in de tegenwoordige tijd: ik word – hij wordt, ik vind – zij vindt, ik fiets – hij fietst, ik zit – hij zit. Voorbeelden in de verleden tijd, met ’t kofschip: fietsen – fietste, werken – werkte, wonen – woonde, leren – leerde.
Leg in het begin niet te veel uitzonderingen tegelijk uit. Pas in de hogere groepen bespreek je lastiger gevallen, zoals de jij-vorm wanneer jij achter het werkwoord staat: “jij wordt”, maar “word jij?”.
Wat doe je met woorden die je niet met een regel kunt controleren?
Maak geen lange lijst om uit het hoofd te leren. Begin samen een ‘foutenschriftje’ en schrijf er alleen woorden in die je kind echt lastig vindt.
Daarin komen bijvoorbeeld woorden als ijs, saus of hout. Schrijf bij elk woord een korte zin, maak er een tekeningetje bij als geheugensteuntje of markeer de lastige letters.
Een tweede techniek is het ‘dictee met uitleg’. Jij dicteert één zin en je kind zegt, voordat het een lastig woord opschrijft, hardop: “hond, want honden”, “manen, want ma-nen, dus één a”. Is er geen regel, dan zegt het: “dit woord staat in mijn foutenschriftje”.
Korte oefenteksten vind je in de rubrieken dictees voor groep 4 en dictees voor groep 5.

Hoe ziet een spellingplan van 3 weken eruit?
Houd het plan kort en goed te herhalen. 5 tot 10 minuten per dag is genoeg, en op één dag oefen je maar één soort spellingprobleem.
Week | Wat oefen je? | Voorbeeldroutine |
|---|---|---|
1 | verlengingsregel: d/t en b/p aan het eind | woordfamilie, 4 paren, één zin met uitleg |
2 | klankgroepen: één klinker of dubbele medeklinker | ‘verlengdetective’, 3 uitzonderingen in het foutenschriftje |
3 | -ig/-lijk, ei/ij en werkwoordspelling (d/t) | 3 controleparen, 4 zinnen, korte herhaling van alle regels |
In groep 5 kun je daarna doorgaan met moeilijkere spelling, en voor een ouder kind kies je spelling voor groep 6.
Ook door te lezen ziet je kind woorden steeds opnieuw goed gespeld. Verliest het boek het van het scherm, dan kan de gids hoe je je kind aan het lezen krijgt je verder helpen.

Welke fouten kun je als ouder beter vermijden?
De grootste fout is alle spelling tegelijk willen verbeteren. Een kind heeft één regel nodig en veel rustige momenten om daarop terug te komen.
- Een lijst van 30 woorden voor morgen. Je kind leert dan de volgorde van de woorden, niet hoe je een woord controleert.
- Een voorbeeld dat je niet hebt gecontroleerd. Eén fout woordpaar kan een verkeerde regel laten inslijpen.
- Elke fout tegelijk verbeteren. Kies één aandachtspunt, bijvoorbeeld alleen d of t aan het eind.
- Een dictee zonder uitleg. Vraag je kind na een fout om de regel te zoeken of het woord in het foutenschriftje te zetten.
- Vergelijken met andere kinderen. Vergelijk liever de fouten van vandaag met die van een week geleden.
Wanneer praat je met de leerkracht of een specialist?
Spelfouten maken betekent op zichzelf nog niet dat je kind dyslexie of een specifiek spellingprobleem heeft. Stel geen diagnose op basis van dictees aan de keukentafel.
Praat met de leerkracht als de problemen blijven bestaan ondanks regelmatig oefenen, bij veel soorten spelling opduiken of als je kind ook duidelijk moeite heeft met lezen, overschrijven of het onthouden van woordbeelden. De leerkracht kan met je bespreken wat de volgende stappen zijn en of extra begeleiding of verder onderzoek zinvol is.
Bronnen
- Rada Języka Polskiego PAN, Zasady pisowni i interpunkcji polskiej, regels voor de Poolse spelling, geldig vanaf 1 januari 2026.
- Rada Języka Polskiego PAN, Komunikat z 10 października 2024 r. o zmianach zasad pisowni, wijzigingen van de Poolse spellingregels, van kracht vanaf 1 januari 2026.
- Rada Języka Polskiego PAN, Zasady pisowni i interpunkcji polskiej – tekst jednolity, geconsolideerde uitgave van de Poolse spellingregels, geldig in 2026.